Waarom lukt het een leerling niet om zijn/haar studiekeuze te bepalen?

LOOPBAANBEGELEIDING: HOE HET NÓG BETER KAN

 

De tools van loonbaanbegeleiding zijn prachtig en toch lukt het leerlingen nog steeds niet om een keuze te maken. Daarbij is het wie ben ik?, wat kan ik? en wat wil ik? ook voor loonbaanbegeleiders zelf een factor van betekenis. Uitruil van taken kan een oplossing zijn.

 

Vragenlijsten, POP-rapportages, testuitslagen en verslagen van besprekingen. Iedere mentor of decaan ziet het voor zich op het scherm in digitale portfolio’s; alle benodigde vinkjes groen gekleurd, alle elementen van de loopbaanbegeleiding aanwezig. En tóch lukt het de leerling niet om zijn studiekeuze te bepalen. Wat een frustratie! Wat gaat er mis? Daar is niet één oorzaak voor aan te wijzen. Het is een subtiel spel van samengaande argumenten.

 

Samenhang tussen elementen

Een probleem voor veel leerlingen is dat zij de samenhang tussen de verschillende onderdelen van LOB niet zien. Opdrachten, testjes en vragenlijsten worden vaak op verschillende momenten behandeld en leerlingen leggen op geen enkele manier de link met voorgaande en achterliggende stof. Het kwartje valt niet dat de onderdelen van loopbaanoriëntatie moeten leiden tot een samenhangend verhaal, zoals bijvoorbeeld bij Nederlands met grammatica, spelling en structuur. Het probleem is dus dat leerlingen het doel van loopbaanbegeleiding niet zien, met het regelmatige gevolg dat ze er gewoonweg geen zin in hebben. Een oplossing kan dus al liggen in het bieden van het inzicht dat de onderdelen wie ben ik, wat kan ik, wat wil ik samen leiden tot een beroepsbeeld dat bij hen past. Door daar direct in het begin aandacht aan te besteden aan de hand van eenvoudige voorbeelden, komt het programma van loopbaanbegeleiding beter tot leven.

 

Koppeling naar concrete situatie

Met die aanpak kan het samenvoegen van zijn eigen persoonlijke uitslagen de leerling gerichter leiden naar een concreet beroep of studie. Dat is vaak de moeilijkste stap in een proces, dat analytische vaardigheden vraagt die een leerling op die leeftijd wellicht nog niet bezit. Het beruchte puberbrein is immers nog ‘in aanleg’ en de benodigde helicopterview en de hogere cognitieve vaardigheden zijn nog niet volledig ontwikkeld. Een oplossing kan zijn dat je als begeleider adviseert om andersom te werken. Neem een concreet beroep of studie en rafel dat uiteen in vaardigheden, kennis en eigenschappen. Door die te koppelen aan de eigen uitslagen gaat de leerling beter zien of het een beroep is dat bij hem past. Dit dus in plaats van: wat kun jij met jouw pakket nu gaan doen?

 

Adolescentie

Los van het onontwikkelde brein is de puberteit ook een fase waarin de jongere voor het eerst een afgeronde identiteit ervaart, met een gevoel van continuïteit en uniciteit.

Binnen deze fase doorlopen jonge mensen diverse stadia. Het komt erop neer dat zij eerst hun identiteit van anderen afleiden (bijvoorbeeld ouders, een popster) daarna een tijdje niet weten wie ze zijn, vervolgens identiteiten gaan uitproberen (bijvoorbeeld van sportgek tot kunstenaar, dan weer filosoof) om ten slotte een solide identiteit te ontwikkelen. Wanneer je dit in ogenschouw neemt, is een vak waarin hun gevraagd wordt te bepalen wie ze zijn of wat ze willen wel een heel lastige!

De oplossing is niet bepaald eenvoudig. Keuzes voor een loopbaan (profiel-, sector én studiekeuze) moeten eigenlijk zo laat mogelijk gemaakt worden pas wanneer de leerling een duidelijk en compleet beeld van zichzelf heeft gekregen. Dat is in het huidige schoolsysteem lastig in te bouwen en daarom zou er eerst een maatschappelijke discussie op gang moeten komen waarin partijen pleiten voor het uitstellen van keuzes.

 

Tijdgebrek van mentor

Een volgende oorzaak voor een leerling die niet tot een keuze komt, is een oude bekende: tijdgebrek. Een mentor of decaan is vaak degene die het loopbaanbegeleiding-programma met de leerlingen doorloopt. Zoals al gezegd, vergt inzicht in de samenhang van het loopbaanbegeleiding-programma nogal wat cognitieve vaardigheden en de mentor zou daarom voldoende tijd moeten hebben om met elke leerling individueel die samenhang te doorgronden. Om dat gesprek goed te kunnen voeren moet de mentor zich ook goed verdiept hebben in die individuele leerling. De tijd die dat vraagt, krijgt de gemiddelde mentor helaas niet toegewezen.

 

Uitruil van taken

Naast gebrek aan tijd staat de motivatie van de mentor. Er zijn mentoren die het voldoende vinden om een klas te begeleiden in de dagelijkse gang van zaken. Op het moment dat zij daar – zoals sommigen het verwoorden – de zielenroerselen van al die leerlingen erbij krijgen, haken zij liever af. Scholen doen deze onwil af met argumenten in de sfeer van: ‘het is nou eenmaal onderdeel van je takenpakket, iedereen moet het doen’. De vraag is of je daarmee recht doet aan docent én leerling? Gecombineerd kunnen tijd en motivatie redelijk eenvoudig worden getackeld door uren-verdeling. Een inventarisatie onder collega’s kan tot uitruil leiden. Er zijn docenten die graag leerlingen individueel begeleiden maar er geen tijd voor hebben. Anderen geven liever klassikaal les, en kunnen daarom beter de klassikale onderdelen van het loopbaanbegeleiding-programma voor hun rekening nemen, of andere onderdelen van vakken. Het totale aantal uren hoeft niet toe te nemen, maar ze worden anders verdeeld.

 

Sterke punten inzetten

Door een dergelijke uitruil haal je het beste uit je docentenbestand, want de motivatie van de individuele docent verhoogt. Docenten en mentoren hebben immers hun eigen pakketje wat wil ik, wat kan ik en wie ben ik. Het uitvoeren van een loopbaanbegeleiding-programma vergt van de mentor vaardigheden en eigenschappen die aan een loopbaanadviseur worden gesteld. Maar wanneer een docent zijn eigen sterke en zwakke punten mag inzetten, ontstaat er een voorbeeldig klimaat voor de uitvoering van de loopbaanontwikkeling van docenten. Dit dient als goed voorbeeld en motivatie voor leerlingen.

 

Samenvattend kan gesteld worden dat een school de randvoorwaarden bij loopbaanbegeleiding goed moet regelen. Voldoende aandacht – voor de behoeften van docent én leerling – en tijd zijn cruciale factoren. Ook het besef dat cognitieve vaardigheden in het proces van loopbaanoriëntatie én loopbaanbegeleiding goed ontwikkeld en onontbeerlijk zijn, leidt ertoe dat leerlingen betere keuzes maken. Een maatschappelijke discussie over geschikte fasering is dan welhaast noodzakelijk.

 

Conclusie

Scholen laten heel veel liggen in het begeleiden van leerlingen in hun juiste studiekeuze. Tijdgebrek is hierbij de grote factor.

Een particuliere loopbaanadviseur kan hierbij uitkomst bieden.